Als we niets doen


Wat gebeurt er hoogstwaarschijnlijk met de Boschplaat als we niets doen? Verschuift de kustlijn? Kalven de eilandpunt en de Waddenkust verder af? Wat gebeurt er met de vegetatie? Blijft de Boschplaat aantrekkelijk voor trek- en broedvogels? Verdwijnen er ook soorten en komen er nieuwe bij? Lastige vragen. Deels omdat kennis ontbreekt. Maar ook omdat de natuur onvoorspelbaar is en deze situatie zich voor het eerst in de geschiedenis voordoet. We houden dan ook een slag om de arm in onze blik op de toekomst van de Boschplaat bij ongewijzigd beheer.

VEGETATIE. De omstandigheden en bodemgesteldheid op de Boschplaat variëren sterk en hebben zo hun eigen, kenmerkende begroeiing. Per deelgebied zoomen we in wat er waarschijnlijk met de vegetatie gebeurt, bij ongewijzigd beleid.

STUIFDIJK. De Stuifdijk wordt gekenmerkt door de afwezigheid van dynamiek en daarmee gepaard gaande verouderingsprocessen. Ze is grotendeels dicht begroeid met helm, met aan de luwe zijde duindoornstruweel. Soorten die afhankelijk zijn van een meer kale bodem, zoals duinsterretje, zeewinde, blauwe zeedistel en wondklaver, raken zodoende in de verdrukking. Uit de evaluatie van het Beheerplan Rijksgronden 2003 – 2013 bleek dat de verwachte ontwikkeling naar een meer dynamische situatie zonder beheeringrepen niet op gang is gekomen. Verwacht wordt dat de veroudering van de vegetatie doorzet.

Zeekraal

DUINTJES. De verwachting is dat de begroeiing van de duincomplexen midden op de Boschplaat niet veel zal veranderen. Wellicht zal er wat meer struweel gaan groeien.

KWELDER. Na de aanleg van de Stuifdijk nam het aantal verschillende kweldervegetaties, in verschillende stadia, heel snel toe. Rond 1970 werd de hoogste mate van diversiteit bereikt. Voortschrijdende successie leidde vervolgens tot grovere patronen, met een achteruitgang van lage kweldervegetaties én een forse toename van climaxvegetaties gedomineerd door zeekweek. Meer recent ontstonden er ook brakke rietvegetaties die zich verder zullen uitbreiden. Bij ongewijzigd beheer zullen deze ontwikkelingen op de kwelder doorzetten. De grote omslag heeft al plaatsgevonden..

Washovers, zoals recent rond de Vijfde Slenk, kunnen plaatselijk zorgen voor jonge afzettingen en (tijdelijk) gunstige omstandigheden voor pioniervegetaties op een zandige bodem.

CUPIDO’S POLDER. Op de begroeide strandvlakte van de Cupido’s polder ligt de soortenrijke pioniersfase achter ons. In het overgrote deel van het gebied start de veroudering van de vegetatie. Hoe het gebied zich verder zal ontwikkelen, hangt nauw samen met de ontwikkeling van de kustlijn. Door het verdwijnen, of naar binnen toe verplaatsen, van het zand van de zeewaarts gelegen duinenrij zal door washovers  de dynamiek ten noorden van de Stuifdijk toenemen.

Noordzeekust met Cupido's polder

NATUURBOS. Het brakke gebied, op de overgang van de Vaste Duinen naar de Boschplaat, ontwikkelt zich in de richting van een natuurlijk duinbos (Berkenvallei) en brak wilgen-rietmoeras (Koggegronden). Dit is een bijzondere ontwikkeling. Bosvorming op de grens van zoet naar zout, op een ongestoorde bodem, is zeldzaam langzaam. Daarom is een deel van de Berkenvallei aangewezen als officieel bosreservaat.

AREAALVERLIES. Naast verandering van vegetatie, betekent verdergaande erosie van de oostpunt en waddenkust ook een verlies van areaal. Denk daarbij aan de jonge duinen (na 1960) ten noorden van de Cupido’s polder. Maar ook een deel van de Stuifdijk, inclusief het eeuwenoude Amelanderduin. En enkele oudere duintjes ten zuiden van de Stuifdijk. Ook gingen delen van de oostelijke kwelders en jonge kwelders aan de zuidoost en zuidwestzijde van de Boschplaat verloren. Naar verwachting zullen deze ontwikkelingen eerst doorzetten.

BROEDVOGELS. Broedvogels als de scholekster, doen er soms wel tien tot vijftien jaar over voordat ze een gunstige plek dicht bij de rand van het Wad hebben veroverd. Maar als ze dat voor elkaar hebben, blijven ze die plek ook trouw. Ook van koloniebroeders, als de lepelaar, is bekend dat ze jaarlijks naar dezelfde plek terugkeren. Voor beide soorten geldt dat ze gedeeltelijk op de lager gelegen delen van de Boschplaat broeden. Hetzelfde gaat op voor strandbroeders als de kluut, stern en de bontbek- en strandplevier.

Het mag duidelijk zijn dat deze soorten moeilijk een plek kunnen vinden op de Boschplaat als de klimaatverandering doorzet. Oftewel, als de vroege zomerstormvloeden toenemen en de zeespiegel sneller stijgt dan de aanwas van zand en slib.

Of een soort de Boschplaat blijft aandoen, is mede afhankelijk van het aanpassingsvermogen. Dat wordt per soort heel verschillend aangestuurd. Bepaalde soorten reageren adequaat op verandering in temperatuur en voedselbronnen. Zij zullen zich dus gemakkelijker aanpassen. Dat geldt waarschijnlijk niet voor soorten die enkel reageren op verandering in daglengte, omdat klimaatverandering daar geen invloed op heeft.

Natuurlijke selectie, gebaseerd op genetische veranderingen binnen een populatie, kost veel tijd. Het is onduidelijk in welke mate vogels zich, door genetische veranderingen, kunnen handhaven in een snel veranderende wereld. Voor veel soorten blijft dan ook ongewis of ze toekomst hebben op de Boschplaat. Dat geldt overigens niet voor vogels die broeden in struweel, riet- en ruigtevegetatie. Denk aan de rietzanger en bruine kiekendief. Voor hen worden de omstandigheden gunstiger als er niets gebeurt en de verruiging doorzet.

Graaspieper

TREKVOGELS. Trekvogels wijken bij hoogwater uit naar zogenaamde hoogwater vlucht plaatsen (hvp’s). Deze moeten weinig of onbegroeid zijn en rondom vrij uitzicht bieden. En natuurlijk niet worden gestoord. Als de huidige ontwikkelingen doorzetten zijn de vooruitzichten, door verlies aan geschikt areaal met schaarse en lage vegetatie, ongunstig voor hen.

De situatie dreigt ook ongunstiger te worden voor de vegetariërs onder de vogels, de rot- en brandganzen en eenden. Door verdergaande successie en vermindering van pionier- en lage kweldervegetaties dreigt er voor hen een voedseltekort. Die tendens werd in de jaren negentig al ingezet en zien we terug in een behoorlijke afname van deze populaties. Mogelijke maatregel is uitbreiding van begrazing, waardoor er grotere oppervlaktes korte vegetaties ontstaan die geschikt zijn als voedergebied voor ganzen.

NOORDZEEKUST. Rijkswaterstaat beheert de Noordzeekust op de eilanden. Hieronder vallen ook delen van de Boschplaat en de Cupido’s polder. Dankzij jaarlijkse metingen is bekend hoe de kust zich ontwikkelt.

Tot ongeveer Paal 21 groeit de kustlijn licht aan. Vanaf hier, en hoe verder richting het oosten, verschuift de kustlijn o dit moment jaarlijks zo’n twintig meter (of meer) landinwaarts. Als deze ontwikkeling  doorzet, wat wel de verwachting is, wordt de basiskustlijn bij Paal 26 rond 2030 overschreden. De voorgelegen duinen van  de Cupido’s polder en een deel van de Stuifdijk zullen dan verdwijnen.

kustlijn

AMELANDERGAT. Tot dusver gingen we ervan uit dat de aangroei en afslag van eilandstaarten onderhevig waren aan cycli van zo’n zestig jaar. Ongeveer vijftig jaar geleden bereikte de oostpunt van de Boschplaat haar grootste omvang sinds eeuwen. Sindsdien is er sprake van afslag. Aan de uiterste oostpunt werd de staart van Boschplaat de afgelopen dertig jaar zo’n achthonderd meter korter; dat is gemiddeld een kleine dertig meter per jaar. Inmiddels zou de staart weer wat moeten aangroeien. Die kentering is nog niet zichtbaar en wordt op korte termijn ook niet verwacht. Duintjes en kwelders ten zuiden van de Stuifdijk zullen verdwijnen. De oostgrens zal dan rond 2030 om en nabij de Vijfde Slenk liggen; de grens van de Boschplaat rond 1700.

In 1990 is door de Rijksoverheid de zogenaamde Basiskustlijn vastgelegd. Voor de Boschplaat loopt deze tot Paal 26. De eilandstaart ten oosten van Paal 26 kent een volledige dynamiek omdat er geen veiligheidsprobleem voor de mens is. Als deze bij structurele erosie wordt overschreden, wordt een zandsuppletie overwogen om ervoor te zorgen dat de kust niet verder erodeert. In het Provinciaal Overlegorganaan Kust (POK) zijn in de jaren ‘90 hierover afspraken gemaakt tussen provincie Fryslan, Rijkswaterstaat en de gemeente Terschelling. Bij die afweging wordt dan ook gekeken naar de effecten op natuur, de N2000-doelstellingen, landschap en cultuurhistorie.

Rijkswaterstaat werkt er hard aan om zicht te krijgen op de ontwikkelingen van het Amelandergat., maar die ontwikkeling is met alle kennis van nu nog niet te voorspellen. Het kan zijn dat de cyclus zich op middellange termijn alsnog doet gelden. Dit is allerminst zeker en hangt geheel af van de ontwikkelingen in het zeegat tussen Terschelling en Ameland. Als de situatie omslaat kan de eilandstaart opnieuw aangroeien net als de kwelders aan de zuidzijde. Dit is het meest wenselijke scenario dat leidt tot een complete Boschplaat met strandvlaktes, een onbegroeide eilandstaart van formaat en pionierskwelders.

De erosie van de Boschplaat is volgens de inzichten van Rijkswaterstaat niet gerelateerd aan de breedte van het zeegat maar aan de afschermende werking van de platen zeewaarts van het Amelanderszeegat. Hypothetisch is denkbaar dat de kustlijn aan de oostpunt, bij voortzetting van de huidige erosiesnelheid op lange termijn nog verder inkort. Het zeegat zal dan breder worden. Vroeger lag er ten oosten van de Boschplaat een zandbank die droog bleef; het Kamperzand. Wellicht ontstaat er dan een nieuwe Koffieboonplaat tussen de Boschplaat en Ameland. Een situatie die zich in de meeste zeegaten tussen de eilanden voordoet.

Amelandergat vanuit het zuiden gezien

WADDENKUST. De zuidkant van de Boschplaat bestond lange tijd uit een zone van jonge en lage kwelders. Ontstaan toen er (nog) aan de basisvoorwaarden van kweldervorming werd voldaan; juiste hoogteligging, voldoende luwte en aanvoer van slib. Vandaag de dag vinden we deze omstandigheden enkel nog rond de mondingen van de Eerste en Tweede Slenk.

Door opslibbing zijn de kwelders steeds hoger komen te liggen. Daarmee neemt de hoogtegroei in snelheid af. Op termijn kan dit omslaan naar een eroderende kwelderrand, met een klifkust. Op den duur kan op de vrijkomende ruimte nieuwe kweldervorming plaatsvinden. Voorbeelden van een dergelijke ontwikkeling zijn er echter nog nauwelijks.

Momenteel erodeert de kwelder aan de zuidwest- en zuidoostkant van de Boschplaat. Aan de oostzijde speelt het inkorten van de eilandstaart een grote rol. Indien de staart verder blijft eroderen hebben ook kwelders daar geen kans. De erosie aan de zuidkant van de Groede wordt waarschijnlijk voor een belangrijk deel veroorzaakt door golfwerking: nasleep van de langduriger en hogere waterstanden na de aanleg van de Afsluitdijk. De verwachting is dat hier, op korte termijn, niet spontaan nieuwe pionierkwelders ontstaan. Althans, niet zonder herstel van de basisvoorwaarden.

Kwelder ter hoogte van eerste en tweede Slenk